Computerboek 9
oefening 9.8

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Werkwoorden
Vul in: woon / woont / wonen
 1. Ik in een groot huis.
 2. Hij in Amersfoort.
 3. Wij in Nederland.
 4. Jullie in een nieuw huis.
 5. Jij in een klein huis.
 6. Ahmed in een oud huis.
 7. Selma in een flat.
 8. Latifa en Jamila in een stad.
 9. Tom en Hans in een dorp.
10. Ik in Spanje.
Vul in: maak / maakt / maken
11. Ik mijn sommen.
12. Hij zijn huiswerk.
13. Wij ons huiswerk.
14. Karina haar sommen.
15. John zijn huiswerk.
16. Ali en Vincent hun werk.
17. Jullie jullie lessen.
18. Jij jouw sommen.
19. Ik mijn toets.
20. Zij haar huiswerk.
Vul in: val / valt / vallen
21. Ik in het water.
22. Jij van de fiets.
23. Hij uit de boom.
24. Zij op haar knie.
25. Wij op ons gezicht.
26. Jullie van de trap.
27. Zij op hun neus.
28. Ahmed op de grond.
29. Fatma en Ali van de stoel.
30. Jamila in het zwembad.