Computerboek 8
oefening 8.3

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul in:
mijn / jouw / uw / haar / zijn / onze / jullie / hun
1. Ik heb een sok. 
- Dat is sok.
2. Jij hebt een broek. 
- Dat is broek.
3. U heeft een muts. 
- Dat is muts.
4. Hij heeft een laars. 
- Dat is laars.
5. Zij heeft een knoop. 
- Dat is knoop.
6. Wij hebben een ritssluiting. 
- Dat is ritssluiting.
7. Jullie hebben een veter. 
- Dat is veter.
8. Zij hebben een kous. 
- Dat is kous.
9. Mohamed heeft een schoen. 
- Dat is schoen.
10. Amina heeft een jurk. 
- Dat is jurk.
11. Mohamed en Amina hebben een schoen. 
- Dat is schoen.
12. De juf heeft een trui. 
- Dat is trui.
13. U heeft een hemd. 
- Dat is hemd.
14. Wij hebben handschoenen. 
- Dat zijn handschoenen.
15. Jullie hebben een zwembroek. 
- Dat is zwembroek.
16. Moeder heeft een rok. 
- Dat is rok.
17. De meester heeft een jas. 
- Dat is jas.
18. De jongens hebben schoenen. 
- Dat zijn schoenen.
19. De jongen heeft een onderbroek. 
- Dat is onderbroek.
20. Ik heb een muts. 
- Dat is muts.