Computerboek 6
oefening 6.10

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul in:
geven / kopen / gaan / moeten
      1. Ik appels in de winkel.
      2. Ik naar het zwembad.
      3. Ik mijn huiswerk maken, zegt de juf.
      4. Hij de appel aan Fatma.
      5. Hij tomaten op de markt.
      6. Jij op de fiets naar school.
      7. Jij naar het bord kijken
      8. Wij de druiven aan oma en opa.
      9. Jullie de koffie in de supermarkt.
    10. Wij naar huis.
    11. Jullie jullie werk maken.
    12. Jij brood bij de bakker.