Computerboek 5
oefening 5.10

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.

Lees deze tekst en geef antwoord op de vragen

kijk, daar is Hans.
hij gaat naar de markt.
hij heeft een tas in zijn hand.
in de tas is de portemonnee
er is geld in de portemonnee.
Hans koopt een komkommer en 5 appels.
hoeveel kost dat?
dat kost 5 euro.
Hans pakt geld uit de portemonnee.
hij geeft het geld aan de man.
hij doet de komkommer en de appels in de tas.
Hans gaat naar huis.
hij geeft de komkommer en de appels aan moeder.

let op: na een komma (,) altijd een spatie intikken!
1. wie gaat naar de markt?    
gaat naar de markt.
2. wat heeft Hans in zijn hand?    
Hans heeft in zijn hand.
3. waar is de portemonnee?    
de portemonnee is .
4. wat is er in de portemonnee?    
in de portemonnee is .
5. wat koopt Hans?    
Hans koopt .
6. hoeveel kost dat?    
dat kost .
7. wat geeft Hans aan de man?    
hij geeft aan de man.
8. wat doet hij in de tas?    
hij doet in de tas.
9. waar gaat Hans naar toe?    
hij gaat .
10. wat geeft Hans aan moeder?  
hij geeft aan moeder.