Computerboek 4
oefening 4.9

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul in:   aan  /    in   /   met   /   naar  /    op   
   1. de meester schrijft het bord.
11. ik ga de wc.
   2. Jan leest het boek.
12. de juf is de klas.
   3. zij zit de stoel.
13. Tom zit de tafel.
   4. ik ruik de bloem.
14. de map is de tafel.
   5. hij schrijft de map.
15. ik ruik mijn neus.
   6. het kind gaat school.
16. hij kleurt een kleurpotlood.
   7. wie praat de juf?
17. het meisje gaat huis.
   8. Alexandra wijst het bord.
18. vader schrijft een pen.
   9. Ahmed kijkt de klok.
19. de meester is de school.
 10. zij tekent een potlood.
20. de bloem is de tafel.