Computerboek 10
oefening 10.7

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Ik heb een agenda. De agenda is van mij.
1. U heeft een bromfiets.  
De bromfiets is van .
2. Zij heeft een vaas.  
De vaas is van .
3. Wij hebben een school.  
De school is van .
4. Zij hebben de mappen.  
De mappen zijn van .
5. Jullie hebben een lokaal.  
Het lokaal is van .
6. Hij heeft een rekenschrift.  
Het rekenschrift is van .
7. Ik heb een overhemd.  
Het overhemd is van .
8. Wij hebben een kamer.  
De kamer is van .
9. Zij heeft een krant.  
De krant is van .
10. U heeft een sleutel.  
De sleutel is van .