Nederlands voor anderstaligen
oefening 9.6

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Deze man is oud, maar die man is ouder.
 1. Dit huis groot, maar dat huis is .
 2. Deze brug is hoog, maar die brug is .
 3. Dit kind is klein, maar dat kind is .
 4. Dit meisje is jong, maar dat meisje is .
 5. Deze tas is zwaar, maar die tas is .
 6. Deze fles is bijna vol, maar die fles is .
 7. Deze koffer is licht, maar die koffer is .
 8. Dit werk is vervelend, maar dat werk is .
 9. Deze auto is mooi, maar die auto is .
10. Deze rok is vuil, maar die rok is .
11. Deze liniaal is lang, maar die liniaal is .
12. Deze meester is streng, maar die meester is .
13. Dit haar is kort, maar dat haar is .
14. Hier is het warm, maar daar is het .
15. Mijn tas is leeg, maar jouw tas is .
16. (licht)  Deze koffer is dan die koffer.
17. (zacht)  Dit kussen is dan dat kussen.
18. (mooi)  Deze jurk is dan die jurk.
19. (moeilijk)  Deze som is dan die som.
20. (gevaarlijk)  Deze weg is dan die weg.
21. (veilig)  Dit kruispunt is dan dat kruispunt.
22. (warm)  In Afrika is het dan is Nederland.
23. (hard)  IJzer is dan hout.
24. (klein)  Nederland is dan Iran.
25. (koud)  In Rusland is het 's winters dan in Nederland.
26. (duur)  Goud is dan koper.
27. (kort)  Een centimeter is dan een meter.
28. (groot)  Een vrachtwagen is dan een auto.
29. (veel)  Een euro is dan een 50 eurocent.
30. (weinig)  10 eurocent is dan 20 eurocent.