Nederlands voor anderstaligen
oefening 9.10

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Maak de volgende woorden kleiner:
Voorbeelden:
de pan 
 - het pannetje
      
de kam 
 - het kammetje

 1. de tor  de tor  - het
 2. de kip de kip  - het
 3. de brug de brug  - het
 4. de weg de weg  - het
 5. de ring de ring  - het
 6. het gum het gum  - het
 7. het hol het hol  - het
 8. de spion de spion  - het
 9. het getal het getal  - het
10. de kar de kar  - het
11. de vlag de vlag  - het
12. de vlam de vlam  - het
13. de kapel de kapel  - het
14. het ding het ding  - het
15. de kin de kin  - het
16. de pion de pion  - het
17. de big de big  - het
18. de slang de slang  - het
19. de tang de tang  - het
20. de wang de wang  - het
21. de man de man  - het
22. de zon de zon  - het
23. de bol de bol  - het
24. de bal de bal  - het
25. de ton de ton  - het
26. de koningin de koningin  - het