Nederlands voor anderstaligen
oefening 8.7

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Voorbeeld:
de fles is wit - de witte fles

1. de man is dik    - de man
     11. de bus is vol  - de bus
2. de trui is rood    - de trui
12. de school is leeg  - de school
3. de fiets is geel    - de fiets
13. het werk is zwaar    - het werk
4. het jasje is blauw    - het jasje
14. de som is moeilijk    - de som
5. de benen zijn dun    - de benen
15. het verkeer is druk    - het verkeer
6. het haar is zacht    - de haren
16. de les is kort    - de les
7. het kopje is klein    - het kopje
17. zijn veter is lang    - zijn veter
8. de flat is groot    - de flat
18. de jas is nat    - de jas
9. de jongen is dom    - de jongen
19. de tafel is rond    - de tafel
10. het feest is leuk    - het feest
20. de weg is breed    - de weg