Nederlands voor anderstaligen
oefening 8.4

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Maak de volgende woorden kleiner:
Voorbeeld:
de boom de boom - het boompje

 1. het kind het kind  - het kind
        21. de hand de hand   -het hand
 2. het huis het huis  - het huis
 22. de koe  de koe  - het koe
 3. het paard het paard  - het paard  23. het papier  het papier  - het papier
 4. de kus de kus  - het kus
 24. het potlood  hetpotlood  - het potlood  
 5. de klomp de klomp  - het klomp
 25. het been  het been  - het been
 6. de kast  de kast  - het kast
 26. het raam  het raam
 - het raam
 7. de riem  de riem  - het riem
 27. de appel  de appel  - het appel
 8. de helm  de helm  - het helm
 28. het cijfer  het cijfer  - het cijfer
 9. de hoed  de hoed  - het hoed
 29. het uniform  het uniform  - het uniform
 10. de voet  de voet  - het voet
 30. de banaan  de banaan  - het banaan
 11. de trein  de trein  - het trein
 31. de brief  de brief  - het brief
 12. de bij  de bij  - het bij
 32. de koffer  de koffer  - het koffer
 13. de haas  de haas  - het haas
 33. het hoofd  het hoofd  - het hoofd
 14. het touw het touw  - het touw
 34. de poes  de poes  - het poes
 15. de tafel  de tafel  - het tafel
 35. de peer  de peer  - het peer
 16. het boek  het boek  - het boek
 36. de spijker  de spijker  - het spijker
 17. de stoel  de stoel  - het stoel
 37. de tomaat  de tomaat  - het tomaat
 18. de pot  de pot  - het pot
 38. de naam  de naam  - het naam
 19. de vrouw  de vrouw  - het vrouw  39. de aardbei  de aardbei  - het aardbei
 20. het schrift  het schrift  - het schrift
 40. de stoep  de stoep  - het stoep