Nederlands voor anderstaligen
oefening 7.9

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Kies het goede antwoord:
Vul in: mijn / jouw / zijn / haar / ons / onze / uw / jullie / hun
 1. Ik heb een auto.  Dat is auto.
 2. Jij hebt een bromfiets.  Dat is bromfiets
 3. U hebt een helm.  Dat is helm.
 4. Hij heeft een uniform.  Dat is uniform.
 5. Zij heeft een treinkaartje.  Dat is treinkaartje.
 6. Wij hebben foto's.  Dat zijn foto's.
 7. Wij hebben een boek.  Dat is boek.
 8. Jullie hebben een radio.  Dat is radio.
 9. Zij hebben een pyjama.  Dat is pyjama.
10. Zij heeft lang haar.  Dat is haar.

Is dat de auto van meneer Jansen? Ja, dat is zijn auto.
11. Is dat huis van Tom en Ellie?  Ja, dat is huis.
12. Is dat het boek van Naïma?  Ja, dat is boek.
13. Zijn dat de koffers van Tom en Ellie?  Ja, dat zijn koffers.
14. Is dat de helm van Hans?  Ja, dat is helm.
15. Is dat het uniform van de agent?  Ja, dat is uniform.
16. Zijn dat de kleren van mevrouw Smit?  Ja, dat zijn kleren.
17. Is dit de klas van meneer Kamstra?  Ja, dit is klas.
18. Is dit het lokaal van klas 1f?  Ja, dit is lokaal.
19. Is dat de jas van Peter?  Ja, dat is jas.
20. Is dat de tas van de juf?  Ja, dat is tas.

 Is dat jouw tas? Ja, dat is mijn tas.

21. Zijn dat jullie fietsen?  Ja, dat zijn fietsen.
22. Is dat jouw scooter?  Ja, dat is scooter.
23. Zijn dat jullie schoenen?  Ja, dat zijn schoenen.
24. Is dat jullie huis?  Ja, dat is huis.
25. Zijn dat jullie boodschappen?  Ja, dat zijn boodschappen.
26. Zijn dat jouw boodschappen?  Ja, dat zijn boodschappen.
27. Is dit jullie lokaal?  Ja, dit is lokaal.
28. Is dit jouw klas?  Ja, dit is klas.
29. Is dit jullie klas?  Ja, dit is klas.
30. Is dit jouw laatste vraag?  Ja, dit is laatste vraag.