Nederlands voor anderstaligen
oefening 7.4

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Voorzetsels
Vul het goede voorzetsel in:
 1. de tafel staat een emmer.
 ( door / in / onder / langs )
 2. het huis staat een boom.
 ( in / tussen / tegenover / onder )
 3. de boom liggen veel appels.
 ( tussen / op / in / onder )
 4. de weg rijden heel veel auto's.
 ( in / naast / bij / op )
 5. het eten poets je je tanden.
 ( tijdens / voor / na / onder )
 6. de pauze eet ik een appel.
 ( op / bij / in / tussen )
 7. mijn verjaardag geef ik een feest.
 ( naast / op / bij / in )
 8. school gaan we naar huis.
 ( na / voor / achter / tijdens )
 9. de vakantie heb ik veel plezier.
 ( op / onder / tijdens / bij )
10. de bladzijden van het boek zit 100 euro.
 ( in / op / bij / tussen )
11. de wedstrijd krijgen we de beker.
 ( naast / voor / op / na )
12. de les mag je naar de w.c.
 ( tussen / voor / bij / langs )
13. die bladzijde staat een tekening.
 ( in / bij / op / door )
14. Hij speelt een piano.
 ( voor / tussen / op / na )
15. die berg staat een kasteel.
 ( in / op / onder / langs )
16. De bomen staan de weg.
 ( voor / in / langs / tussen )
17. De waterleiding gaat kapot de vorst.
 ( door / met / in / op )
18. Ik sta buiten de kou.
 ( uit / onder / voor / in )
19. Ik ga de wedstrijd.
 ( boven / in / achter / naar )
20. De man sterft de dorst.
 ( zonder / van / na / om )
21. De speler wordt het veld gestuurd.
 ( door / uit / onder / met )
22. Knippen doe je een schaar.
 ( met / voor / door / in )
23. Ik speel vriendjes.
 ( tussen / met / achter / op )
24. de les moet je opletten.
 ( voor / na / tijdens / naast )
25. mijn bord ligt een mes.
 ( naast / onder / boven / met )
26. De meester zit zijn tafel.
 ( in / onder / boven / achter )
27. Hij gaat niet vakantie.
 ( in / op / uit / na )
28. Hij loopt snel de huizen.
 ( door / langs / met / onder )
29. Regen valt de lucht.
 ( uit / in / door / over )
30. die rij moet je lang wachten.
 ( in / op / zonder / naast )
31. zijn korte beentjes kan hij toch hard lopen.  ( met / naast / op / zonder )
32. Je rijdt het rode licht!
 ( achter / voor / tussen / door )
33. Ik fiets mijn vader.
 ( naast / onder / tussen / in )
34. Je mag mijn verjaardag komen.
 ( zonder / in / op / uit )
35. een liniaal kun je meten.
 ( op / zonder / met / onder )
36. Hij vraagt de som de juf.
 ( door / uit / aan / op )
37. Ik klim het touw.
 ( in / op / uit / van )
38. Handen wassen doe je het eten.
 ( met / tijdens / achter / voor )