Nederlands voor anderstaligen
oefening 7.10

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul één van de volgende woorden in:
   bushalte      centrum      conducteur      fietsenhok      Kerkstraat      kruispunt      lijn      loket      paspoort      perron      retour      station      stoplicht      uniform      water      zebrapad   
Kies het goede antwoord:
 1. Ik zet mijn fiets in het .
 2. De brug ligt over het .
 3. Het staat op rood.
 4. De is een lange straat.
 5. Het van de agent is blauw.
 6. De controleert de treinkaartjes.
 7. Ik wacht bij de op de bus.
 8. Joke koopt kaartjes aan het .
 9. De trein naar Amsterdam vertrekt vanaf 2a.
10. Ellie gaat naar de overkant van de straat over het .
11. De trein komt aan op het van Amersfoort.
12. Ik koop een Utrecht.
13. Op vakantie in het buitenland moet je een meenemen.
14. De bus naar het station heet 10.
15. Het stadhuis staat in het van de stad.
16. Bij het gevaarlijke staan stoplichten.