Nederlands voor anderstaligen
oefening 7.1

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul één van de volgende woorden in:
Ik / Jij / Hij / Zij / U / Wij / Jullie / Zij
 1. gaat naar huis met zijn nieuwe fiets.
 2. kamt haar haren.
 3. lezen hun boeken.
 4. loop met mijn fiets.
 5. werken op zaterdag in onze eigen tuin.
 6. rijdt in uw auto naar school.
 7. geeft haar broertje een koek.
 8. past even op zijn zusje.
 9. gaan naar het zwembad in hun vakantie.
10. loopt zo hard hij kan naar huis.
11. fietst naar jouw vriendin.
12. pakt zijn boek uit zijn tas.
13. poetsen hun voetbalschoenen.
14. luistert naar haar moeder.
15. heeft een gat in zijn broek.
16. pakken ons boek uit de kast.
17. ligt in zijn bed.
18. geeft een pen aan haar vriendin.
19. ga met mijn vriend naar de film.
20. moeten dat aan jullie meester vragen.