Nederlands voor anderstaligen
oefening 6.8

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul in:
mijn / jouw / uw / haar / zijn
 1. de schouderHij heeft twee schouders.
 Dat zijn schouders.
 2. de buikU hebt een buik.
 Dat is buik.
 3. de vingerJij hebt tien vingers.
 Dat zijn vingers.
 4. het oogZij heeft twee ogen.
 Dat zijn ogen.
 5. het gezichtIk heb een gezicht.
 Dat is gezicht.
 6. het beenU heeft twee benen.
 Dat zijn benen.
 7. de teenU heeft tien tenen.
 Dat tenen.
 8. de wenkbrauw Hij heeft twee wenkbrauwen.
 Dat zijn wenkbrauwen.
 9. de rugJij hebt een rug.
 Dat is rug.
10. de neus Ik heb een neus.
 Dat is neus.
11. de lip Jij hebt twee lippen.
 Dat zijn lippen.
12. het hoofd U heeft een hoofd.
 Dat is hoofd.
13. de hals Hij heeft een hals.
 Dat is hals.
14. de nekHij heeft een nek.
 Dat is nek.
15. de knieZij heeft twee knieën.
 Dat zijn knieën.
16. de borstHij heeft een borst.
 Dat is borst.
17. de enkelU heeft twee enkels.
 Dat zijn enkels.
18. de handIk heb twee handen.
 Dat zijn handen.
19. de voetHij heeft twee voeten.
 Dat zijn voeten.
20. de rompJij hebt een romp.
 Dat is romp.
21. de armU heeft twee armen.
 Dat zijn armen.
22. de elleboog Zij heeft twee ellebogen.
 Dat zijn ellebogen.
23. de kiesIk heb twaalf kiezen.
 Dat zijn kiezen.
24. de tandJij hebt acht tanden.
 Dat zijn tanden.