Nederlands voor anderstaligen
oefening 6.7

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul één van de volgende voorzetsels in:
tot / naar / aan / voor / over / tegen / in / op / uit / met
      1. Mohamed telt honderd.
      2. Heeft moeder pijn haar knie?
      3. Hij geeft het boek Fatima.
      4. De lerares brengt Tom de dokter. de dokter
      5. De bal gaat het hek en valt de tuin van de buurman. bal over het hek
      6. De euro zit de portemonnee. de portemonnee
      7. "Wat is er?" zegt vader Zeynep.
      8. Valt het meisje de grond?
      9. Ik kauw mijn kiezen.
    10. De dokter werkt het ziekenhuis. het ziekenhuis
    11. Mevrouw Jansen vraagt de jongen: "Waar is jouw tas?"
    12. Jan leest een boek. Het boek ligt zijn neus.
    13. De fiets staat de muur.
    14. Het lichaam bestaat het hoofd, de romp, armen en benen.
    15. Ik heb pijn mijn kies.
    16. George gaat de apotheek voor medicijnen. apotheekde medicijnen
    17. Ik heb een bril mijn neus. de bril
    18. Hans luistert de radio.
    19. De dokter komt de wachtkamer en gaat buiten.
    20. Jullie zitten school.
    21. Ik ruik mijn neus.
    22. De meester staat de klas.
    23. Het meisje heeft pijn haar buik.
    24. De les is drie uur.