Nederlands voor anderstaligen
oefening 6.6

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul in:
Gebruik het werkwoord dat tussen haakjes staat
 1. (geven)
 De agent stopt mij. "Ik u een bekeuring meneer!"
 2. (geven)
 "U geen voorrang aan die auto die van rechts komt."
 3. (geven)
 "Wij niet graag een bon maar nu moet het wel."
 4. (hangen)
 Ik mijn jas aan de kapstok.
 5. (hangen)
 Daar hij goed.
 6. (hangen)
 Sommige kinderen hun kleren niet weg.
 7. (wonen)
 Ik in een huis aan de rand van de stad.
 8. (wonen)
 Wij daar al heel lang.
 9. (wonen)
 Mijn vader er al meer dan twintig jaar
10. (vallen)
 Wij heel vaak bij het schaatsen.
11. (vallen )
 De bekende schaatser Sven Kramer bijna nooit.
12. (vallen)
 Ik de laatste tijd ook niet zo vaak meer.
13. (fietsen)
 Als we naar school gaan we stevig door.
14. (fietsen)
 Ik na school altijd direct naar huis.
15. (fietsen)
 Maar mijn zusjes meestal erg langzaam.
16. (vertellen)
 Onze meester een mooi verhaal.
17. (vertellen)
 Ik wat ik op school heb meegemaakt.
18. (vertellen)
 Sommige kinderen thuis nooit iets.
19. (denken)
 Wij er wel eens over na wat we later zullen worden.
20. (denken)
 Ik dat ik wielrenner word en de Tour de France win.