Nederlands voor anderstaligen
oefening 6.4

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul in:
Gebruik het werkwoord dat tussen haakjes staat
   1. (sturen)
  De piloot zijn vliegtuig naar de landingsbaan.
   2. (maaien)
  De boer het gras.
   3. (brengen)
  De bakker het brood naar de winkel.
   4. (sprinten)
  De wielrenners zo hard als ze kunnen.
   5. (luieren)
  De toerist in de zon.
   6. (happen)
  De vissen naar lucht.
   7. (prijzen)
  De marktkoopman zijn waren aan.
   8. (blazen)
  De muzikant op zijn trompet.
   9. (lezen)
  De juf van klas A een mooi verhaal
  10. (schrijven)
  En ik? Ik zo mooi als ik kan.
  11. (remmen)
  De auto zo hard dat hij ineens stil staat.
  12. (verven)
  De schilder de deuren van de garage.
  13. (vertellen)
  De leraar een mooi verhaal.
  14. (blaffen)
  De hond als hij iets hoort.
  15. (trekken)
  De clown gekke gezichten.
  16. (springen)
  De kinderen over de brede sloot.
  17. (kruipen)
  Ik onder het hek door.
  18. (zingen)
  De vogels hun hoogste lied.
  19. (bouwen)
  De metselaars een nieuw huis.
  20. (maken)
  De kleermaker een nieuw pak voor vader.