Nederlands voor anderstaligen
oefening 6.3

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul één van de volgende woorden in:
heb / hebt / heeft / hebben / ben / bent / is / zijn
      1. Ik hoofdpijn.
      2. Zij pijn in de rug.
      3. Wij te laat op school.
      4. Hans niet dik.
      5. Fatma een trui aan.
      6. Ellie bij de tandarts.
      7. jullie kiespijn?
      8. jij ziek?
      9. Ik pijn in mijn kies.
    10. Jij een baard.
    11. Ik bij de dokter.
    12. Vader in de wachtkamer.
    13. De dokter een wachtkamer.
    14. Jullie niet op school.
    15. Mijn haar zwart.
    16. Ik blond haar.
    17. De wimpers van Ellie lang.
    18. Een mond twee lippen.