Nederlands voor anderstaligen
oefening 6.13

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul in: tegenwoordige tijd (tt)
Gebruik het werkwoord dat tussen haakjes staat
 1. (raden)
 Ik vandaag veel goed.
 2. (bereiden)
 Vader een lekkere maaltijd.
 3. (groeien)
 Het gras snel.
 4. (doden)
 In Canada men nog steeds zeehonden.
 5. (braden)
 Hij zijn gevangen vis.
 6. (likken)
 De jongen aan zijn ijsje.
 7. (vullen)
  de tandarts de kies?
 8. (scheiden)
 De boer de bokken van de geiten.
 9. (rennen)
  jij naar huis?
10. (eten)
 Jij de appel op.
11. (lopen )
 Je weer te dromen!
12. (gaan)
 Ik straks naar school.
13. (slaan)
 Jij de deur te hard dicht.
14. (ruiken)
 Het paard de stal.
15. (geven)
 Wij haar een ring cadeau.
16. (doen)
 Hoe jij die moeilijke som?
17. (lijden)
 Veel mensen nog steeds honger.
18. (brengen)
 Mijn vader ons naar muziekles.
19. (spreken)
 Die man zeven talen vloeiend.
20. (rijden)
 Mijn vader elke dag naar zijn werk.
21. (kopen)
 Wij straks een wasmachine.
22. (schrijven)
 Hij een brief.
23. (prijzen)
 Ik hem om zijn eerlijkheid.
24. (kauwen)
 Ik met mijn kiezen.
25. (drinken)
 Jullie teveel koud water!