Nederlands voor anderstaligen
oefening 6.12

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul in: tegenwoordige tijd (tt)
Gebruik het werkwoord dat tussen haakjes staat
 1. (rusten)
Ik een poosje uit.
 2. (wonen)
Mevrouw Scheele in Barneveld.
 3. (brengen)
Ik het stripboek naar Ayse.
 4. (heten)
Hij toch Wim?
 5. (praten)
Jij teveel!
 6. (richten)
De jager en schiet.
 7. (lusten)
Hij geen spruitjes.
 8. (haten)
Waarom jij die man zo?
 9. (rusten)
Wij even uit.
10. (ruiken)
De bloem lekker.
11. (springen )
De meisjes over de sloot.
12. (heten)
Jij Jan.
13. (praten)
Wij altijd als we tekenen.
14. (richten)
Jullie teveel naar rechts.
15. (lusten)
jij geen uien?
16. (branden)
Ik van nieuwsgierigheid.
17. (antwoorden)
De man naar waarheid.
18. (laden)
Jullie straks de vrachtwagen uit!
19. (luisteren)
Joke naar muziek.
20. (landen)
Het vliegtuig keurig op tijd.