Nederlands voor anderstaligen
oefening 5.3

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul in: Dit / Dat
denk aan de HOOFD-letters
1. Het snoepje is hier.    
   snoepje is van Fatma.
2. Het schrift is daar.    
   schrift is van de leraar.
3. Het kopje is hier.    
   kopje is van de juf.
4. Het raam is hier.    
   raam is van het huis van Tom.
5. Het overhemd is daar.    
   overhemd is van vader.
6. Het potlood ligt hier.    
  Van wie is potlood?
7. Het horloge ligt daar.    
  Is horloge van Ellie?
8. Het jasje hangt daar.    
   jasje is van John.
9. Het potlood is hier.    
   potlood is van Ronald.
10. Het bord is hier.    
   bord is wit.
11. Het kopje staat daar.    
   kopje is van de meester.
12. Het hondje loopt daar.    
  Is hondje wit?
13. Het bed staat hier.    
   is mijn bed.
14. Het boek ligt hier.    
   boek is blauw.
15. Het geld zit daar in de tas.    
   geld is niet hier.
16. Het lokaal is daar.    
  Is het lokaal van meester Jeroen?
17. Het meisje zit hier naast mij.    
   meisje heet Anneke.
18. Ik lees het boek.    
  Ik lees boek goed.
19. Het boek ligt niet hier.    
  Ligt boek thuis?
20. Deze les is klaar.    
   is de laatste vraag.