Nederlands voor anderstaligen
oefening 5.15

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul in: mijn / zijn / haar
1. De doos is van Hans.  de doos  
   Dit is doos.
2. De stoel is van de lerares. de stoel    
  Dit is stoel.
3. De plant is van Fatma. de plant    
  Dit is plant.
4. Ik heb een schrift. het schrift    
  Dit is schrift.
5. Tom heeft een agenda. de agenda    
  Dit is agenda.
6. Moeder heeft een rok. de rok    
  Dit is rok.
7. De bal is van Joke. de bal    
  Dit is bal.
8. De tas is van meneer De Vries. de tas   
  Dit is tas.
9. Het horloge is van vader. het horloge    
  Dit is horloge.
10. Ik heb een fiets. de fiets    
  Dit is fiets.
11. Het meisje heeft een paraplu. de paraplu    
  Dit is paraplu.
12. De leraar heeft een map. de map    
  Dit is map.