Nederlands voor anderstaligen
oefening 5.12

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul in: Hij / Zij / Het
Denk aan de HOOFDLETTERS!
1. Waar is moeder?    
   is in de kamer.
2. Waar ligt het boek?    
   ligt op de kast.
3. Waar staat de fiets?    
   staat achter het huis.
4. Waar is Hans?    
   is bij de deur.
5. Waar zit Joke?    
   zit op de grond.
6. Waar is vader?    
   ligt in bed.
7. Waar staat de kast?    
   staat naast het raam.
8. Waar is de rok?    
   ligt op de stoel.
9. Waar zit de leraar?    
   zit op de bank.
10. Waar staat de klok?    
   staat op de tafel.
11. Waar is de stoel?    
   staat op de grond.
12. Waar is Fatma?    
   is in de keuken.
13. Waar is het boek?    
   staat in de kast.
14. Waar is de bloem?    
   staat in de vaas.
15. Waar is het meisje?    
   is op school.
16. Waar is het horloge?    
   ligt op de tafel.
17. Waar is Tom?    
   zit op de fiets.
18. Waar is de auto?    
   staat op straat.
19. Waar is Ellie?    
   ligt in bed.
20. Wat doet Ellie?    
   slaapt.