Nederlands voor anderstaligen
oefening 4.7

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
 zijn
Vul in: ben / bent / is
 maken
Vul in: maak / maakt
   1. Moeder ziek.
  7. Moeder een jas.
   2. Het kind niet groot.
  8. Tom een som.
   3. Jij op school.
  9. Ik de som niet.
   4. jij ook op school?
 10. jij de trui?
   5. De som niet moeilijk.
 11. Zij een bloes.
   6. mevrouw Scheele op school?
 12. zij deze rok?
    lezen
Vul in: lees / leest
   zien
Vul in: zie / ziet
   13. Ellie een boek.
 19. Ik een hond op straat.
   14. ik dit goed?
 20. Moeder de klok.
   15. jij het woord?
 21. Hans vader in de auto.
   16. Ik het boek.
 22. jij Joke in de tuin?
   17. de leraar het boek?
 23. Ik Joke in de gang.
   18. Mevrouw Smit het boek.
 24. De meester een fout in het schrift.
    beginnen
Vul in: begin / begint
 
   25. De school om vijf voor half negen.
 
   26. jij om 11 uur?
 
   27. Hans met de som.
 
   28. de les om twee uur?
 
   29. Ik om zeven uur.
 
   30. De les niet op tijd.