Nederlands voor anderstaligen
oefening 4.6

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
in - op - voor - achter - naast - onder - uit - bij - naar
Kies het goede voorzetsel
1. uit / op    
  De leraar zit de stoel.
2. naast / op    
  De koe staat het huis.
3. voor / in    
  Bernard staat het bord.
4. voor / op    
  De fiets van Joke staat het huis.
5. in / onder    
  Moeder loopt de tuin.
6. achter / in    
  Ellie maakt de som het schrift.
7. naar / in    
  Vader zet het boek de kast.
8. in / op    
  De lerares zit de fiets.
9. naast / onder    
  Het raam is de deur.
10. onder / uit    
  Ayse komt om vier uur school.
11. naar / op    
  Tom gaat huis.
12. in / onder    
  Zit u de auto?
13. in / uit    
  Ik loop de gang.
14. naar / bij    
  Mohamed gaat school.
15. op / in    
  Hij is tijd.
16. naast / op    
  De koe staat de boom.
17. naar / in    
  Zit Jan de kamer?
18. achter / voor    
  De juf zit het bord.
19. onder / uit    
  De tas staat de tafel.
20. op / achter    
  Zit jij de computer?