Nederlands voor anderstaligen
oefening 4.5

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul in: Wie, Wat of Waar
Denk aan de HOOFDLETTERS!
1. Ellie koopt een bloes.    
   koopt Ellie?
2. De tas staat naast de stoel.    
   staat de tas?
3. Moeder heeft een auto.    
   heeft moeder?
4. De stift ligt bij het bord.    
   ligt de stift?
5. Roberto schrijft een woord.    
   schrijft Roberto?
6. Mina pakt een pen.    
   pakt een pen?
7. Het boek ligt onder de kast.    
   ligt het boek?
8. Vader maakt de fiets.    
   maakt vader?
9. De appel hangt in de boom.    
   hangt de appel?
10. De lerares zit voor het raam.    
   zit de lerares?
11. Fatma zit op de stoel.    
   zit Fatma?
12. Vader hoort de koe.    
   hoort vader?
13. Vader hoort de koe.    
   hoort de koe?
14. Het meisje tekent een boom.    
   tekent een boom?
15. Het meisje tekent een boom.    
   tekent het meisje?
16. Het meisje zit onder een boom.    
   zit het meisje?
17. Het meisje zit onder een boom.    
   zit onder een boom?
18. Ayse pakt een pen.    
   pakt Ayse?
19. De meester leest een krant.    
   leest de meester?
20. De meester leest een krant.    
   leest de krant?