Nederlands voor anderstaligen
oefening 4.4

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
WIE
Meneer Jansen pakt een boek.   
 Wie pakt een boek?
1. Victoria zit op het gras.    
  Wie ?
2. De leraar is in de klas.    
  Wie ?
3. Moeder heeft een rok.    
  Wie ?
4. Hans ziet de fiets.    
  Wie ?
5. Mevrouw Bos koopt een tas.    
  Wie ?
6. Ellie begint op tijd.    
  Wie ?
7. Het meisje roept Tom.    
  Wie ?
8. Vader hoort de koe.    
  Wie ?
9. Jij schrijft in de map.    
  Wie ?

WAT
Meneer Jansen pakt een boek.   
 Wat pakt meneer Jansen?
10. Fatma heeft de klok.    
  Wat ?
11. De leraar leest de krant.    
  Wat ?
12. Moeder heeft een rok.    
  Wat ?
13. Hans ziet de fiets.    
  Wat ?
14. Mevrouw Bos koopt een tas.    
  Wat ?
15. Ellie schrijft een zin.    
  Wat ?
16. Het meisje tekent een boom.    
  Wat ?
17. Vader hoort de koe.    
  Wat ?
18. De jongen spelt een woord.    
  Wat ?

WAAR
De fiets staat achter het huis.   
  Waar staat de fiets?
19. Jan ligt in bed.    
  Waar ?
20. Fatma zit op de stoel.    
  Waar ?
21. Het bord hangt in de klas.    
  Waar ?
22. Moeder zit in de auto.    
  Waar ?
23. Hans loopt op de gang.    
  Waar ?
24. Mevrouw Bos zit op de fiets.    
  Waar ?
25. De tafel staat voor de kast.    
  Waar ?
26. Het meisje zit voor de jongen.    
  Waar ?
27. Vader zit bij het raam.    
  Waar ?