Nederlands voor anderstaligen
oefening 4.3

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul in:    heb   /   hebt   /   heeft
Let ook op de HOOFDLETTERS!
    1. Ik een auto.
  7. ik de tas?
    2. Hans de auto niet.
  8. Hassan het boek niet.
    3. Tom een appel?
  9. Jij de duif in de tas?
    4. Jij de map.
10. Mina een bloes.
    5. Vader een fiets.
11. u de trui?
    6. jij een fiets?
12. Zij het potlood.
     13. Mevrouw Smit een vest.