Nederlands voor anderstaligen
oefening 4.10

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.

Lees deze tekst en geef antwoord op de vragen

Thuis
Moeder is thuis. Zij heeft een rok en een bloes aan. De rok is groen en de bloes is blauw en groen. Zij gaat naar de kast en pakt een vest. Het vest is wit. Moeder doet het vest aan en gaat zitten.
Naast de stoel van moeder staat een tafel. Op de tafel ligt een boek. De tafel is bruin en het boek is rood. Moeder pakt het boek en leest.
Daar komt vader. Hij gaat naar binnen en ziet moeder.
Vader heeft een pak aan, een overhemd en een stropdas. Het pak is blauw. Het overhemd is blauw en wit, de stropdas is blauw, wit en rood.
Vader zegt: "Hallo! Ik ben thuis. Wat doe jij? Lees jij de krant?"
"Nee", zegt moeder "Ik lees een boek."
Vader zegt: "Waar is de krant?"
"Joke heeft de krant", zegt moeder, "Zij zit buiten."
Vader gaat naar het raam en ziet Joke op het gras achter het huis. Zij heeft een trui aan en een broek. De broek is grijs en de trui is rood.
Joke zit onder een boom en eet een appel. De krant ligt naast Joke op het gras.
Vader gaat door de deur naar buiten. "Hallo, Joke", zegt hij. "Heb jij de krant?"
"Dag vader" zegt Joke, "Ja, hier is de krant, alstublieft."
"Dank je wel", zegt vader, "Waar is Tom? Is hij ook thuis?"
"Nee", zegt Joke, "Tom komt om zes uur thuis. Hij is bij Hans, hij maakt de fiets van Hans."
"Dat is goed", zegt vader. Hij gaat naar binnen.


1. Is moeder buiten?

2. Heeft moeder een jurk aan?

3. Pakt moeder een sjaal?

4. Is de rok van moeder groen?

5. Leest moeder de krant?

6. Heeft vader een broek aan en een trui?

7. Is het overhemd geel?

8. Zit Joke binnen?

9. Heeft Joke een broek aan?

10. Eet Joke kaas?

11. Is de krant binnen?

12. Is Tom thuis?

13. Maakt Tom de fiets van Hans?

14. Komt Tom om half zes thuis?

15. Gaat vader buiten zitten?