Nederlands voor anderstaligen
oefening 3.8

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Ik kijk naar de televisie. Jij kijkt naar de televisie.
Denk aan de HOOFDLETTERS!
1. Ik teken een huis.    
   jij een huis?
2. Ik koop een banaan.    
   jij een banaan?
3. Ik lees de krant.    
   jij de krant?
4. Ik zit bij de tafel.    
   jij bij de tafel?
5. Jij leest de krant.    
  Ik de krant.
6. Jij komt thuis.    
  Ik thuis.
7. Ik begin op tijd.    
   jij op tijd?
8. Ik kom te laat op school.    
  Jij te laat op school.
9. Jij schrijft in de map.    
  Ik in de map.
10. Jij begint om 8 uur.    
  Ik om 8 uur.
11. Ik fiets naar de winkel.    
  Jij naar de winkel.
12. Jij tekent een kerk.    
  Ik een kerk.
13. Ik zit op de stoel.    
  Jij op de stoel
14. Ik pak een boek uit de kast.    
   jij een boek uit de kast?
15. Ik kleur het plaatje.    
  Jij het plaatje.