Nederlands voor anderstaligen
oefening 3.5

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul in: Hij of Zij
Denk aan de HOOFDLETTERS!
1. Wat doet Fatma?    
   leest een boek.
2. Wat doet vader?    
   koopt een stoel.
3. Wat doet de lerares?    
   tekent op het bord.
4. Wat doet moeder?    
   zegt: "Dag meneer."
5. Wat doet de man?    
   leest een boek.
6. Wat doet Hans?    
   koopt een liniaal.
7. Wat doet de jongen?    
   roept de juf.
8. Wat doet het meisje?    
   koopt een schrift.
9. Wat doet meneer Traas?    
   werkt aan de computer.
10. Wat doet mevrouw van Oord?    
   schrijft een brief.
11. Wat doet Juf Loes?    
   maakt de koffie.
12. Wat doet Victor?    
   pakt de stift.
13. Wat doet Tom?    
   kijkt naar de televisie.
14. Wat doet mevrouw Jansen?    
   kijkt naar de klok.
15. Wat doet de leraar?    
   rookt een sigaret.
16. Wat doet de lerares?    
   koopt een horloge.
17. Wat doet Joke?    
   komt op tijd.
18. Wat doet meneer de Jong?    
   eet een appel.
19. Wat doet mevrouw de Jong?    
   drinkt thee.
20. Wat doet Fatima?    
   leest de krant.