Nederlands voor anderstaligen
oefening 3.4

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
 kopen
Vul in: koop / koopt
 roepen
Vul in: roep / roept
   1. Ik een tas.
  7. Ik het meisje.
   2. Hij een tas.
  8. Hij het meisje.
   3. Zij een tas.
  9. Zij het meisje.
   4. Ik een schrift.
 10. Ik de lerares.
   5. Hans een schrift.
 11. Moeder de lerares.
   6. Ellie een schrift.
 12. Vader de lerares.
    lezen
Vul in: lees / leest
   tekenen
Vul in: teken / tekent
   13. Ik in de map.
 19. Ik op het bord.
   14. Hij in de map.
 20. Hij op het bord.
   15. Zij in de map.
 21. Zij op het bord.
   16. Ik het boek.
 22. Ik in het schrift.
   17. De leraar het boek.
 23. Tom in het schrift.
   18. Mevrouw Smit het boek.
 24. De meester in het schrift.