Nederlands voor anderstaligen
oefening 2.6

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Vul in:    heb   /   heeft
Let ook op de HOOFDLETTERS!
    1. Ik een tas.
11. moeder een pan?
    2. De leraar een boek.
12. ik een krijtje?
    3. Tom een pen.
13. De meester een computer.
    4. Ik een stoel.
14. de juf een potlood?
    5. De vrouw een tafel.
15. Ik een gum.
    6. Ik een potlood.
16. Jan een televisie.
    7. Hans een boek.
17. Ik een pen.
    8. Ellie een map.
18. Asha een pen?
    9. Vader een auto.
19. Mohamed een liniaal.
   10. Ik een fiets.
20. Bernard een tas?