Nederlands voor anderstaligen
oefening 2.10

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.

voorbeeld

Van wie is de stoel?   (de leraar)    De stoel is van de leraar.
Gebruik het woord tussen haakjes in je antwoord
1. Van wie is de tas? (meneer Smit)    
.
2. Van wie is het gordijn? (moeder)    
.
3. Van wie is het schrift? (Ahmed)    
.
4. Van wie is de lamp? (de vrouw)    
.
5. Van wie is de stift? (de meester)    
.
6. Van wie is de tekening? (de leerling)    
.
7. Van wie is de klok? (het meisje)    
.
8. Van wie is de plaat? (de lerares)    
.
9. Van wie is het potlood? (Alexandra)    
.
10. Van wie is het gum? (de jongen)    
.