Nederlands voor anderstaligen
oefening 14.9

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Verleden tijd (zwakke werkwoorden)

 

maken       
Ik maakte deze les        
 1. rusten  Na een uur lopen we even uit.
 2. blaten  Dat schaap gisteren de hele dag.
 3. dichten  Een week geleden wij het gat.
 4. heten  Hoe zij voordat ze getrouwd was?
 5. praten  Toen hij zijn mond voorbij.
 6. berichten  Ik hem vorige week dat hij welkom is.
 7. lusten  Vroeger hij geen uien.
 8. haten  Waarom jij die man eerst zo?
 9. rusten  Ik even uit na de wedstrijd.
10. blaten  Die schapen altijd al zo.
11. dichten  Ik voor Sinterklaas iets moois.
12. heten  Die winkel vroeger "Van Doorn".
13. praten  Jij vanmorgen teveel.
14. richten  De jager teveel naar rechts.
15. lusten  Klaas vroeger geen spinazie.
16. branden  Ik van nieuwsgierigheid.
17. antwoorden  De man naar waarheid.
18. laden  Jullie gisteren die wagen uit.
19. baden  Hij toto nu toe elke dag.
20. landen  Het vliegtuig keurig op tijd.
21. raden  Ik gisteren bijna alles goed.
22. bereiden  Vader een lekkere maaltijd.
23. leiden  De gids de toeristen rond.
24. doden  Vroeger men veel walvissen.
25. braden  Ik een stuk vlees.
26. bespieden  De politie de dief al een uur.
27. zieden  Ik van boosheid.
28. scheiden  De boer de bokken van de geiten.
29. verzanden  De haven van Brugge al lang geleden.
30. schaden  Het hem heel erg dat hij gelogen had.