Nederlands voor anderstaligen
oefening 14.8

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Verleden tijd (zwakke werkwoorden)

 

werken       
Hij werkte gisteren hard        
 1. werken  Wij gisteren helemaal niet.
 2. lachen  Wij toen niet om dat antwoord.
 3. vissen  Zij achter het net.
 4. bakken  Ik zojuist een eitje.
 5. werken  Jij een half uur aan die som?
 6. krijsen  Hij als een mager speenvarken.
 7. raken  De auto van de weg.
 8. missen  De bal het doel.
 9. lachen  Jij iedere keer als je hem zag.
10. vissen  Ik maandag in het kanaal.
11. gebruiken  Hij jouw pen.
12. bakken  Jullie het vlees te kort.
13. schaken  U vroeger toch veel?
14. werken  Ik toen te haastig.
15. gissen  Wij naar het antwoord.
16. noemen  Ik hem de verkeerde straatnaam.
17. halen  Wij een brood bij de bakker.
18. zagen  De timmerman alles op maat.
19. lenen  Ik hem gisteren een euro.
20. boren  De conciërge een gat in de muur.