Nederlands voor anderstaligen
oefening 13.3

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.

Vul één van de volgende woorden in:

   De boer      De directeur      De kapper      De koningin      De meester      De schipper      De schrijver      De timmerman      De toneelspeler      De voetballer   
 1.  heeft pas een nieuw boek geschreven.
 2.
 knipt regelmatig mijn haren.
 3.
 werkt in het theater.
 4.
 probeert de kinderen iets te leren.
 5.
 geeft de bal een flinke schop.
 6.
 produceert steeds meer melk.
  7.
 slaat met een hamer op de spijker.
 8.
 woont meestal op zijn schip.
 9.
 rookt een sigaar in de directiekamer.
10.  zit op haar troon.