Nederlands voor anderstaligen
oefening 13.11

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.

 

Wat staat Fatma te doen?
 (afdrogen)   
Zij staat af te drogen.
 1. Wat zit jij te doen?  (opletten)  Ik .
 2. Wat staat Tom te doen?  (afwassen)  Hij .
 3. Wat zit Ellie te doen?  (overschrijven)  Zij .
 4. Wat loopt Hans te doen?  (opruimen)  Hij .
 5. Wat zit de juf te doen?  (nakijken)  Zij .
 6. Wat zit de meester te doen?  (voorlezen)  Hij .
 7. Wat staat moeder te doen?  (schoonmaken)  Zij .
 8. Wat zit Hassan te doen?  (voorzeggen)  Hij .
 9. Wat zitten de kinderen te doen?  (optellen)  Zij .
10. Wat ligt vader te doen?  (uitrusten)  Hij .