Nederlands voor anderstaligen
oefening 13.10

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.

 

voegwoorden
      
kies:   want / en / of / maar / omdat
 1. Ik wil een nieuwe jas kopen, ik heb geen geld.
 2. Ik kook het eten, mijn moeder ziek is.
 3. Mijn zus gaat naar school ik ga ook naar school.
 4. Zij gaat lopen naar school, haar band is lek.
 5. Zij gaat lopen naar school, haar band lek is.
 6. Dung komt morgen niet naar school, hij is ziek.
 7. Gaat hij met de trein naar Amsterdam, gaat hij met de auto?
 8. Ik ga naar de tandarts, ik heb kiespijn.
 9. Ik ga naar de tandarts, ik kiespijn heb.
10. Zij moeten naar school, het tijd is.
11. Zij moeten naar school, het is tijd.
12. Moeder gaat naar oma vader gaat met haar mee.
13. Wij doen ons best, wij willen goed Nederlands leren.
14. Is de sportdag op 1 juli, is hij een week later?
15. Je moet niet zoveel snoepen, dat is slecht voor je tanden.
16. Fatima doet goed haar best, ze goed Nederlands wil leren.
17. Dit weekend ga ik kamperen, als het slecht weer is blijf ik thuis.
18. We hebben vandaag Nederlands ook wiskunde.
19. Hebben we het eerste uur Nederlands, hebben we wiskunde?
20. We hebben het eerste uur geen Nederlands, we hebben wiskunde.