Nederlands voor anderstaligen
oefening 12.9

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.

 

voegwoorden
      
kies:   want / en / of / maar
 1. Zij wil graag naar de markt, zij heeft geen tijd.
 2. De winkeljuffrouw sluit de winkel, het is zes uur.
 3. Hij eet drie borden soep, hij heeft honger.
 4. Moeder gaat op de fiets haar kind zit achterop.
 5. Zij heeft een goed rapport, haar vriendin heeft een beter rapport.
 6. Zullen we met de auto met de trein naar Amsterdam gaan?
 7. Jullie hebben vrij, het is vakantie.
 8. Je mag kiezen: een nieuwe fiets een spelcomputer.
 9. Hij heeft geen auto, hij heeft wel een racefiets.
 10. Hij is verdrietig, hij heeft zijn toets niet gehaald.
 11. De familie gaat wandelen de buren gaan ook mee.
 12. Het is vandaag slecht weer: het regent het hagelt soms ook.
 13. Hij stuurt oma een kaart, zij is morgen jarig.
 14. Ik kan niet naar school, ik zal mijn huiswerk maken.
 15. Wat willen jullie liever: een boterham een kop soep?