Nederlands voor anderstaligen
oefening 12.8

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.

 

aan het ...... zijn
      
   Wat ben jij aan het doen?
(leren)
 Ik ben aan het leren.
 1. Wat is meneer Van Oosterum aan het doen?  (zagen) Hij .
 2. Wat zijn de leraren aan het doen?  (vergaderen)  Zij .
 3. Wat is de chauffeur aan het doen?  (sturen)  Hij .
 4. Wat is de typiste aan het doen?  (typen)  Zij .
 5. Wat zijn de schilders aan het doen?  (verven)  Zij .
 6. Wat is de leerling aan het doen?  (opletten)  Hij .
 7. Wat is de directeur aan het doen?  (regelen)  Hij .
 8. Wat zijn de mensen aan het doen?  (opruimen)  Zij .
 9. Wat zijn de glazenwassers aan het doen?  (zemen)  Zij .
 10. Wat is die jongen aan het doen?  (knutselen)  Hij .