Nederlands voor anderstaligen
oefening 12.6

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.

 

tegenwoordige tijd
      
voltooide tijd
     
Ik heb een fiets.
Ik heb een fiets gehad.
 1. Ik heb geen auto.
        .
 2. Jullie zijn slaperig.    .
 3. De meisjes hebben een feest.    .
 4. De leerlingen zijn op school.    .
 5. Wij zijn op vakantie.    .
 6. .    De postbode is druk geweest.
 7. .    De buurvrouw is op reis geweest.
 8. De man heeft een sportwagen.    .
 9. De leraar is ziek.    .
10. .    Jullie hebben koekjes gehad.
11. Jullie zijn naar de stad.    .
12. .    Hij is kampioen geweest.
13. Hans heeft honger.    .
14. .    Het hondje is stout geweest.
15. .    Zij hebben straf gehad.
16. .    Moeder is naar de markt geweest.
17. Zij is bij haar familie.    .
18. .    Zij heeft kiespijn gehad.
19. .    Jullie hebben de som gemaakt.
20. .    Hij heeft bij zijn oom gelogeerd.