Nederlands voor anderstaligen
oefening 11.7

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.


Vul één van de volgende woorden in:

telefoonboek  /  telefoon  /  nummer  /  cijfers  / hoorn /  abonneenummer  /  in gesprek /  alfabet  /  netnummer  /  nul  /  kiestoon  /  opzoeken  /  opbellen  / 06  / mobieltje
 1. Ik weet zijn telefoonnummer niet. Even .
 2. Als het gesprek is afgelopen legt hij de neer.
 3. Hij toetst eerst het netnummer, daarna hoort hij een .
 4. Het nummer van een stad of een dorp is het .
 5. Wij zoeken het nummer op in het .
 6. In het telefoonboek staan alle namen op .
 7. Een abonneenummer van een vaste aansluiting heeft 7 .
 8. Ik wil mijn vriend opbellen, maar de lijn is .
 9. Zij moet de school om te zeggen dat ze ziek is.
10. Het van Amsterdam is 020.
11. Mobiele nummers beginnen altijd met .
12. Weet jij het van de school?
13. De staat bij ons in de woonkamer.
14. Na het netnummer komt het .
15. Een heeft vaak een camera.