Nederlands voor anderstaligen
oefening 11.6

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
moeten / niet hoeven te
Voorbeelden:

Moet hij nablijven?     Nee, hij hoeft niet na te blijven.
Moet hij nablijven?     Ja, hij moet nablijven.
 1. Moeten jullie werken?  Nee, wij .
 2. Moet jij luisteren?  Ja, ik .
 3. Moet zij een afspraak maken?  Nee, zij .
 4. Moeten jullie de afwas doen?  Ja, wij .
 5. Moet hij huiswerk maken?  Ja, hij .
 6. Moet zij naar de tandarts?  Ja, zij .
 7. Moet zij leren?  Nee, zij .
 8. Moeten de ouders komen?  Ja, zij .
 9. Moeten zij oefeningen maken?  Ja, zij .
10. Moet hij op de bus wachten?  Nee, hij .
11. Moet ik zo vroeg komen?  Nee, ik .
12. Moeten wij zelf het formulier invullen?  Nee, wij .
13. Moeten wij boodschappen doen?  Ja, wij .
14. Moet ik terugkomen?  Nee, ik .
15. Moet zij een recept halen?  Ja, zij .