Nederlands voor anderstaligen
oefening 11.5

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Hulpwerkwoorden
Voorbeeld:

(gaan zitten)     De lerares gaat op haar stoel zitten.
 1. (blijven eten)  Zij bij haar vriendin .
 2. (mogen kijken)  Hij laat naar de televisie .
 3. (willen gaan)  De zusjes samen naar school .
 4. (moeten helpen)  Eerst hij zijn vader in de tuin .
 5. (gaan winkelen)  Ik gezellig met mijn moeder .
 6. (kunnen hardlopen)   hij wel 500 meter ?
 7. (mogen logeren)  Jullie een week bij oma .
 8. (komen maken)  De leerling na schooltijd de toets .
 9. (blijven zitten)  Het meisje in de tweede klas .
10. (kunnen spellen)  Hij dat lange woord niet .
11. (gaan staan)  De jongen bij de deur .
12. (kunnen zwemmen)  Zij goed .
13. (willen kopen)  Mohammed vanmiddag een fiets .
14. (komen kijken)   jullie naar zijn nieuwe fiets ?
15. (mogen gaan)  Ik om vier uur naar huis .
16. (gaan eten)   jij vanavond ook warm ?
17. (moeten slapen)  Wij om elf uur .
18. (blijven staan)  Ik voor het rode licht .
19. (kunnen maken)  Vanavond we ons huiswerk .
20. (kunnen lenen)   ik een euro van je ?