Nederlands voor anderstaligen
oefening 11.4

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.

Voorzetsels
Vul één van de volgende woorden in:

naar  /  voor  /  op  /  bij  /  over  /  van
 1. De aardige jongen zorgt de poes.
 2. wie zwaai je eigenlijk?
 3. De hele klas luistert de cd.
 4. Wacht u al lang de bus?
 5. Het meisje wil graag haar vriendin logeren.
 6. In Nederland praten de mensen veel het weer.
 7. Morgenavond eet de hele familie mijn tante.
 8. Mag jij vanavond die spannende film kijken?
 9. Hij durft niet die brede sloot te springen.
10. De lerares wijst met haar vinger het moeilijke woord op het bord.
11. De planten zien er mooi uit! Zij zorgt goed ze.
12. Ik heb geen zin om nog langer hem te wachten.
13. Die man en die vrouw horen elkaar.
14. Hij werkt hard zijn geld.
15. De zangeres zingt verdrietige dingen.
16. Ik mag die dvd hem lenen.
17. Houd jij aardappelen?
18. Je moet een postzegel de brief plakken.
19. De meester stuurt de vervelende jongen de directeur.
20. Wil je mij een brood halen bij de bakker?