Nederlands voor anderstaligen
oefening 11.3

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.

Vul één van de volgende woorden in:

haar  /  hem  /  jou  /  mij  /  u
 1. De oude man staat voor het raam. De kinderen kijken naar .
 2. De stewardess zwaait naar ons. Wij zwaaien naar .
 3. Ik sta hier. Jullie zien .
 4. Wat doe jij daar? Ik wil dat graag van weten.
 5. Hoor jij wel? Ik heb al drie keer geroepen!
 6. U heeft een auto. Die auto is van .
 7. Meneer Smit wijst ons de weg. Wij volgen .
 8. Zij is vandaag een beetje ziek. Wat is er met ?
 9. Ik heb je vriend lang niet gezien. Doe je de groeten?
10. Ik kan nu niet lang praten. Kunt u terugbellen?
11. De buurvrouw staat in de tuin. Moeder praat met .
12. Mevrouw, is deze tas soms van ?
13. Jij hebt mooie schoenen. Die schoenen zijn van .
14. Opa ligt in het ziekenhuis. Wij gaan bij op bezoek.
15. Ik heb € 250 gespaard. Dat geld is van .
16. Wij hebben gehoord van uw ongeluk. Hoe gaat het met ?
17. De winkeljuffrouw staat bij kassa 3. Die kassa is van .
18. Jij hebt een grote familie. Die familie is van .
19. Ik kom over vijf minuten. Wachten jullie op ?
20. De agent staat op de hoek. Heb je niet gezien?