Nederlands voor anderstaligen
oefening 11.2

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.


Vul één van de volgende woorden in:

achterkant  /  huisnummer  /  luchtpost  /  pakje  /  plaatsnaam  /  plakken  /  postbode  /  postcode  /  sturen  /  voorkant
 1. De bestaat uit 4 cijfers en 2 letters.
 2. Op de van de envelop schrijf je het adres.
 3. In het zit een dvd voor zijn verjaardag.
 4. De brengt brieven en pakjes rond.
 5. Wij een lange brief naar onze familie.
 6. De afzender staat op de van de envelop.
 7. Op die kaart moet je een postzegel van 74 cent .
 8. Brieven of pakjes met het vliegtuig versturen heet .
 9. Het adres bestaat uit de naam, de straatnaam en het .
10. Amersfoort is een .