Nederlands voor anderstaligen
oefening 11.14

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.

Vul in:
au of...ou

 1. Een ander woord voor snel is gw.
     26. We bwen een huis.
 2. In de winter is het kd.
   27. Je beste vriend kun je vertrwen.
 3. Een pw is een vogel.
   28. Niet heet en niet koud is lw.
 4. Het antwoord is ft.
   29. Met een tw bind je iets vast.
 5. Jan gooit een htblok op het vuur.
 30. Cola koop je bij de tomaat.
 6. In de zomer draag ik korte mwen.
   31. Door de rook is het benwd.
 7. Je moet je eten goed kwen.
   32. gustus is een maand.
 8. De juffrw staat voor de klas.
   33. Een kabter is een klein mannetje.
 9. Kwgom is een soort snoep.
   34. Boven je ogen zittten je wenkbrwen.
10. Het water van de zee is z t.
   35. Eten zonder zout vind ik flw.
11. De kleur van de lucht is bl w.
   36. Rw vlees moet je eerst bakken.
12. Mijn vader rijdt in een vrachtto.
   37. Moeder doet het huishden.
13. Om tien uur is het pze.
   38. Hij heeft brede schders.
14. In mijn boek zit een vw.
   39. Je moet nwkeurig werken!
15. Er zit een gat in je mw.
   40. Rwe groenten zijn niet gekookt.
16. Het vlees is lekker met die ss.
   41. Een steeg is een nw staatje.
17. De weg is niet breed maar nw.
   42. Dat zijn derwetse kleren.
18. We hebben nwelijks tijd om te eten.
   43. Ik drink een kopje lwe thee.
19. Mijn zus gaat morgen trwen.
   44. Bij de barbecue zijn heerlijke szen.
20. Hij krijgt een klop op zijn schder.
   45. De leeuw heeft scherpe klwen.
21. Je mag mijn tekening hden.
   46. Miwende katten.
22. Bij wiskunde werk je nwkeurig.
   47. Herkwende koeien.
23. De kat zit te miwen.
   48. Om iemand rwen. (verdriet hebben)
24. Wie niet lief is is stt.
   49. Mooie vrwen.
25. Grootvader is stokd.
   50. Klaar! Dat heb je gw gedaan!